De leeropdracht Geschiedenis van Zeeland in de Wereld sluit aan bij de opkomst van wereldgeschiedenis als een zelfstandige sub-discipline met eigen vragen en problemen en van het transnationale perspectief dat opgang maakt in het hele vakgebied van de geschiedenis. Het onderzoek van de leerstoel is een poging de opdracht in deze twee richtingen in concrete deelprojecten uit te werken, en daarbij fenomenen als natie en staat aan een nader onderzoek te onderwerpen door ze te confronteren met andere fenomenen van ruimte en tijd zoals regio, systeem, imperium en publiek.

Zeeland is in dit onderzoek de casus die wordt gebruikt om te onderzoeken wat het betekent dat wat we een regio, natie, staat, imperium of systeem noemen geen vanzelfsprekend, eeuwigdurend, of natuurlijk bestaan leidt, maar altijd een politiek-culturele en geopolitieke constructie in wording of ontwording is. Anders gezegd: Zeeland dient in zijn verschillende verschijningen (als regio, staat, imperium, deel-van-een-systeem of als natie) als een voorbeeld van de manier waarop mensen, verbonden met een bepaalde ruimte en tijd, niet alleen door hun (uitdijende of juist krimpende) leefwereld worden gevormd, maar die wereld actief mee vormgeven. Het onderzoek spitst zich toe op de steeds veranderende relatie tussen activiteiten als kennen, informeren, communiceren en opiniëren en handelen (op afstand in tijd en ruimte).

Het toeval wil dat Zeeland voor dit type onderzoek een zeer interessante casus is. De provincie die sinds 1813 is ingebonden in steeds verder centraliserende staatsverbanden was tot 1323 niet veel meer dan een beweeglijk landschap in de Scheldemonding met onduidelijke grenzen en onduidelijk gezag. Een belangrijke rol in het afbakenen van de grenzen van ‘Zeeland’ was weggelegd voor de Vlaamsgezinde regionale adel, die in de 13e eeuw in een aantal landskeuren het vastleggen van door haar geformuleerd landrecht afdwong van de Hollandse graven (die in de steden hun partners hadden). Dankzij een definitieve uitruil tussen de Hollandse en Vlaamse graven werden de landsgrenzen vanaf de Vrede van Parijs van 1323 scherper vastgelegd door de definitieve verheffing van een deel van het landschap in de Scheldemond tot het graafschap Zeeland. Na een reeks van oorlogen om het gebied van de Scheldemonding van de 12e tot het begin van de 14e eeuw, konden de graven van Holland-Henegouwen zich nu ongehinderd ook graaf van Zeeland noemen.

Sindsdien zou het politieke corpus van het nieuwe graafschap vorm krijgen conform de ontwikkelingen in de naburige vorstendommen Holland, Brabant, Vlaanderen en Henegouwen waarmee het door dynastieke, culturele, economische en politieke relaties steeds nauwer verbonden raakte. Tegelijk slaagden lokale politieke actoren er steeds meer in om de Zeeuwse afhankelijkheid van het graafschap Holland in bestuurlijke zin te verminderen (onder meer door de opkomst van de Staten, maar ook door de opkomst van een boven-gewestelijk gezag). Met het ontstaan van de Nederlandse Republiek in 1581 werd die onafhankelijkheid niet alleen bijna volledig, maar begon ook, zij het onder het gezag van de Generaliteit, de Zeeuwse (vooral Walcherse) greep naar wereldmacht. Tegelijk ontwikkelde zich intern (en trouwens ook extern) een kennisgemeenschap die nauw met het politiek en bestuurlijke lichaam verbonden was en de ontwikkelingen in het gewest steeds meer zou aansturen door een groeiende onderzoekstraditie naar de aard en het belang (de natuur en het interest zou men toen zeggen) van ‘Zeeland’.

Zo bezien is Zeeland een onderzoeksobject bij uitstek dat erom vraagt dat de historicus zijn regionale casus niet bestudeert vanuit het gesloten, interne, perspectief van een nationale (of provinciale) geschiedenis, maar vanuit het open, comparatieve perspectief van het zgn. methodologisch kosmopolitisme. Die keuze voor een wereldhistorische benadering van Zeeland is dan ook geen kwestie van interessant of modieus doen, maar sluit aan bij het streven van historici om de complexiteit van hun onderzoeksobject recht te doen. De geschiedenis van Zeeland, een regio in de marge van de moderne nationale geschiedschrijvingen van Nederland en België (om van Engeland en Frankrijk nog te zwijgen), altijd gekenmerkt door zijn plaats in transregionale verbanden en systemen, leent zich daar uitstekend toe. Vanuit zo’n opvatting mogen het bestaan, de vorm en de karakteristieken van Zeeland niet als vanzelfsprekend beschouwd worden, maar moeten ze onderzocht worden als een veranderlijke – door mensen in samenspel met (even veranderlijke) elementen en omringende samenlevingen gemaakte – regionale constructie (het soms gewilde en soms ongewilde resultaat van interne en externe krachten).

Zo bezien is het Zeeland dat zich sinds de middeleeuwen door zijn bevolking, partners en heersers heeft laten afbakenen (maar zich bijvoorbeeld ook door slaven en goedkope arbeid heeft laten onderhouden) vooral een gewilde, politieke constructie, die inwerkt op en mee vormgeeft aan de ontwikkelingen in veel grotere, boven-politieke regio’s, de Scheldemond, de Noordzee-regio (en afhankelijk van de politieke en economische reikwijdte van actoren in de regio ook: de Middellandse Zee, het Balticum, en de Atlantische en Indische Oceaan met hun afgeleide zeeën). Daarmee is de Hurgronje-leerstoel ook een instrument om via onderzoek van de Zeeuwse geschiedenis op een andere manier na te denken over de geschiedenis van onze wereld en hoe mensen daarin hun leven en dat van anderen (mee) vormgeven.

Deze overwegingen bepalen ook de reikwijdte in tijd en ruimte: in tijd is dat de periode tussen 1250 en 1950, waarbij de leerstoelhouder zelf vooral de nadruk legt op de late vijftiende tot de late achttiende eeuw. In ruimtelijke zin speelt de Zeeuwse geschiedenis zich in deze periode eerst vooral af in de Noordzeeruimte en het Balticum, maar vanaf het eind van de vijftiende eeuw (de eerste Zeeuwse expedities in de Atlantische Oceaan zouden van rond 1490 dateren) wordt de Zeeuwse horizon steeds meer bepaald door de Atlantische, Indische en in mindere mate de Stille Oceaan en belendende zeeën. In dezelfde tijd dijde de Zeeuwse ruimte zich ook naar omhoog, naar beneden en naar binnen uit door een groeiend aantal deelnemers aan exploraties van de mens, de natuurlijke omgeving en het heelal (en ook in de tijd, door de groeiende historische interesse). Met de afschaffing van het graafschap in 1795 kromp de Zeeuwse ruimte in eerste instantie scherp, al bleven heel wat actoren in de provincie door de ligging aan de Scheldemonding – tussen Engeland, Nederland en België en vlakbij Frankrijk, door internationale conflicten in de regio, door de internationaal georiënteerde landbouw, industrie- en havenactiviteiten, het Nederlandse koloniale rijk en door emigratie naar andere werelddelen of ook door betrokkenheid bij nationale en internationale intellectuele en ideologische bewegingen ook tot 1950 (en daarna) nauw bij de wereld betrokken.